Terug naar het overzicht

‘De vlagge van de Baron begint wits te worden’ – Brief 3

Door Tamarah de Groot

Anna’s vorige brief was ongedateerd, maar waarschijnlijk ergens medio januari verzonden. Op 30 januari 1674 volgt er opnieuw een brief van Anna aan haar vader Rutger van Breda. Ze is inmiddels terug in Kampen en de situatie van de gegijzelden, specifiek de situatie rondom haar vader, is veranderd: Rutger is ziek. De situatie van de mannen die vastzaten in Arnhem was dan ook alles behalve ideaal.

Net als haar eerdere brieven begint Anna met verwijzingen naar de gezondheid van haar vader. Zo geeft ze in dat ze lange tijd in droefheid hebben gezeten, maar dat ze blij zijn dat ze een brief hebben ontvangen. Ze bidden voor hun vaders’ gezondheid en hopen dat hij zich gauw beter voelt.

Beminde en alderlieste papa naerdien wij een tijdt
lang in groote droefheijt geweest hebben gelijck als
wij oock noch sijn soo ist dat echter de aengenaeme
letteren van papa als getugen van papas leven en
oock van de krachten die godt de heere papa heeft
weder gegeven ons hebben noch eenigsints verquickt wij
bidden godt almachtigh papa te willen vorder
aensien met de oogen van sijne goddelijcke mededoogent-
heijt en papa te willen herstellen in gesontheijt en
in sijn voorige krachten en mede ons te behoeden
voor sulcken swaeren ongeluck als ons door de
swackheijt van papa werdt of wierde gedreijgt

Anna vervolgt haar brief met een update over het inzamelen van geld voor de vrijlating van gegijzelde mannen. Zo schrijft ze dat alle mogelijke manieren worden ingezet en dat men gelooft dat de derde afbetaling bijna gedaan kan worden. Het ontbreek slechts nog aan enige penningen. Dominee Fabrytius is langs geweest en vermaande iedereen om toch alles in werking te stellen om de vastzittende mannen terug naar Kampen te halen. Daaropvolgend is Anna’s moeder samen met een aantal andere vrouwen naar het raadhuis getrokken. Wat daaruit is gekomen vertelt Anna ons echter niet: haar moeder zal daar zelf bericht over doen. Helaas zijn deze brieven niet bewaard gebleven.

tot de verlossinge voor de ostasiers werden
alle mogelijcke devoiren aengewent en men meijnt
dat nu haest de somme tot de derde paije sal gereet
sijn doch manquerende noch aen eenige penningen waer
toe men oock sijn beste doet domeny fabrytius heefthi
er vandaegh geweest die ons den toestant soo van pa[pa]
als van alle andere vrienden heeft geseijt en oock [ver-]
maent om toch alle moogelijcke devoiren aen te
wenden tot verlossinge der ostsagiers gelijck dan
daerop de vrouwen weder op het Raethuys sijn geweest
wat daer uijt gerecht is daer van sal mama en
maseur klaerder schrijven

Deze brief van Anna is relatief kort. Na het bericht over de status rondom de terugbetaling, sluit ze haar brief al af. Ze hoopt en bidt dat het met haar vader beter zal gaan, de God hem en de andere mannen meer geduld kan geven en dat zijn gezondheid maar gauw beter mag worden.

ick breecke af bidden-
de godt dat hij papa wil stercken bewaeren en ons
doen hooren en sien na tranen vruchde wij hoopen
als wij het geluck nu sullen hebben om van papa
handt nu weder een letter te sien dat se in meer-
der kracht en met meerder gesontheijt sal sijn als
de voorgaende de heere verhoore onse gebeden en
bewaere u o mijn vaeder de heere geve u en alle die
met u sijn een vermeerdering van gedult en patienty
ick verblijve dan na mijne hertelijcke gebiedenisse
aen papa monfreer en alle andere vrienden

U gehoorsaeme en onderdaenige
dochter Anna van Breda

Anna eindigt haar brief met een laatste toevoeging: ‘De vlag van de baron begint wit te worden’. Wie ze hiermee bedoelde, of wat ze hiermee wilde zeggen, wordt niet duidelijk. Welke baron heeft ze het over? Ze eindigt met de groeten: neef en nicht Du Gardijn zijn nog bij haar in Kampen zo blijkt, en ook Gesien en Berent doen Rutger de groeten.

De vlagge van de Baron begint wits te worden
en vertoont sich soo doende het herte siet doch
welgemoet papa ick hoope de heere sal alles ten
besten keeren onse guert doet papa groeten nevens onse
nichte du gardijn gelijck oock gesien en berent

Dit artikel maakt onderdeel uit van een korte reeks artikelen:

Lees hier het eerste artikel ‘Briefverkeer tijdens het Rampjaar in Kampen’.

Lees hier brief 1: ‘Vorders hebbe ick gehoort dat de Fransen ons hebben verlaten’ (3 januari 1674).

Lees hier brief 2: ‘Doch ick hoope dat papa dan thuijs sal sijn’ (januari 1674).

Ijsselacademie © 2024 | Ontwerp & realisatie: Blik Reclame