Terug naar het overzicht

Het Rampjaar 1672 in Goor: vooral veel rekeningen

Soldaten plunderen een dorp - Jan Martszen de Jonge

Door Nathalie Niehof

Goor is amper hersteld van de eerste inval van Bommen Berend in 1665-1666 als de bisschop van Münster opnieuw binnenvalt. In 1672, het Rampjaar, staat hij wéér met zijn troepen voor de deur. 

Na de eerste bezetting van de Münsterste troepen, heeft de Twentse stad Goor de nodige maatregelen getroffen om zichzelf veiliger te voelen. Zo werd er een verbond gesloten met Lunenburg en werden tweehonderd militairen ingekwartierd bij inwoners van Goor. 

Als Bommen Berend opnieuw binnenvalt, blijken de troepen niet sterk genoeg om Goor te kunnen verdedigen. Opnieuw trekken de soldaten van de bisschop van Münster Goor binnen. Het stadsbestuur heeft geleerd van de vorige inval en besluit om niet opnieuw de soldaten bij de inwoners van Goor in te kwartieren. Deze keer worden ze op locatie ondergebracht. Daar hangt opnieuw een behoorlijk prijskaartje aan: ze moeten namelijk voorzien worden van brood en bier.

De schatkist stroomt leeg 

De schatkist van de gemeente Goor stroomde snel leeg. In het bijzonder als ook de Franse troepen geld gaan eisen van de stad. Dat is vreemd, want bij de oorlogsbesprekingen tussen Engeland, Frankrijk, Keulen en Münster werd duidelijk afgesproken wie welk deel van de Republiek voor z’n rekening zou nemen. Twente, en dus ook Goor, valt onder het gezag van de bisschop van Münster. Maar door gebrekkige topografische kennis lopen de Fransen Bommen Berend voor de voeten. Bommen Berend is woest: alleen hij mag geld vorderen in dit deel van de Republiek en de Fransen moeten zo snel mogelijk vertrekken. 

Het vorderen van geld doet Bommen Berend naar lieve lust. Hij eist de ene schatting naar de andere, waaronder jaarlijks twaalfhonderd gulden als contributie van de stad Goor. Weigeren heeft geen zin, want het betalen aan de bezetter is simpelweg verplicht. 

In mei 1673 is er opnieuw een flinke financiële klap. Soldaten van het Staatse leger stalen onder meer vier paarden van het Münsterse leger. Bisschop van Galen is woedend en beschuldigd de stad Goor ervan dat ze de soldaten bij hun diefstal hebben geholpen. Hij eist een boete van 1200 rijksdaalders, een bedrag dat binnen veertien dagen voldaan moet worden. Burgemeesters Johan Couper en Albert Pothoff worden gevangengenomen. Men zet alles op alles om dit bedrag zo snel mogelijk terug te krijgen. Burgemeesters van andere steden en dorpen pogen geld op te nemen in naastgelegen plaatsen. Uiteindelijk lukt het en worden de burgemeesters kwijtgeraakt.

Eindelijk vrede 

Op 22 april 1674 wordt er vrede gesloten met Bommen Berend. Het lijkt het einde van een periode waarin telkens maar weer om goederen en geld wordt gevraagd. Van Galen beloofde het veroverde gebied te ontruimen, maar nam nog tot eind mei voor deze operatie. Deze periode was de laatste zware beproeving voor inwoners van Goor. De troepen plunderden de stad bij hun vertrek, schoten kippen dood, namen potten, schoenen, gerst, bedden, beddengoed, handschoenen, onderbroeken en nog veel meer spullen mee. De burgemeester en gemeentebode werden gevangen genomen en moesten voor hun eigen gevangeniskosten opdraaien. Als de troepen daadwerkelijk vertrokken zijn, viert men feest. 

Dit artikel is een bewerking van D. Jordaan J. G. Hzn., ‘De stad Goor tijdens de Münsterse oorlogen van 1665-1666 en van 1672-1674’, Overijsselse Historische Bijdragen 1860-2007 1950-65, 138-168.

Ijsselacademie © 2024 | Ontwerp & realisatie: Blik Reclame